Gezag is relatie & opvoeden doe je niet alleen

Ik ben de afgelopen jaren regelmatig ouders tegengekomen die met hun handen in het haar zaten. En dat was echt niet alleen omdat ze een kind hadden dat agressief was of op het criminele pad begon te raken (ook dat), maar vaak ging het over veel alledaagser dingen: altijd gedoe over huishoudelijke taken, voortdurend achter de computer willen of de hele dag op dat telefoontje, etc.

Nu ben ik toevallig zelf ook ouder, en herken ik dit gevoel. Mijn vrouw en ik hebben ook regelmatig van die momenten gehad dat we het even niet meer zagen zitten. En sommige van die momenten duurden best lang…

In de verhalen hoor ik vaak bepaalde thema’s terugkomen: opvoeden in deze tijd is moeilijk(er), kinderen zijn mondiger, gezag is niet meer vanzelfsprekend, er is veel meer afleiding, soms het gevoel hebben er alleen voor te staan of tegen de stroom in te moeten zwemmen. Vroeger was gezag misschien meer vanzelfsprekend: vaders woord was wet, de leraar had aanzien, en wie het toch waagde er tegenin te gaan die… Er is veel veranderd wat dat betreft, en we zouden ook niet meer terugwillen naar bv de jaren `50 van de vorige eeuw. Maar hoe doe je het dan wel vandaag de dag? Hoe geef je je gezag als ouders vorm zonder autoritair of conflict vermijdend te worden?

Toen wij daar thuis mee worstelden hebben we inspiratie gehaald bij Chaim Omer. Omer is bekend van met name twee boeken: Nieuwe Autoriteit en Geweldloos Verzet (in gezinnen). De term geweldloos verzet verwijst naar Gandhi, die door middel van verzet zonder geweld te gebruiken verandering bewerkte binnen de Indiase maatschappij. De term geweldloos verzet raakt inmiddels wat uit zwang, tegenwoordig wordt vaker het begrip Verbindend Gezag gebruikt. Dat begrip geeft mooi aan hoe gezag en verbinding (warmte) hand in hand kunnen gaan. Gezag is tegenwoordig niet meer persé `ik moet zorgen dat je naar mij luistert’, het is veel meer `ik maak me zorgen om je en ik ga iets doen om die zorgen te verminderen’, of `ik geef om je en daarom kan ik niet langer toestaan dat…’.

Verbindend gezag is aanwezig zijn. En naarmate je zorgen groter worden zal je aanwezigheid ook groter worden. Bijvoorbeeld: je zorgt dat je weet waar je kind is, en als je dat niet weet, vraag je hulp aan anderen om ook op te letten, en zo je aanwezigheid te vergroten. Cruciaal bij verbindend gezag is om het niet (langer) alleen te doen. Er is een uitdrukking `it takes a village to raise a child’, en dat is waar. Ouders hebben tegenwoordig vaak het gevoel het alleen te moeten doen, voelen schroom om anderen `tot last te zijn’, en andersom voelen we ook schroom om onze buren of familieleden aan te spreken: `he, het valt me op dat er vaak ruzie is bij jullie de laatste tijd’, `ka n ik iets voor jullie betekenen?’. Opvoeden wordt dan een eenzame bezigheid met voortdurend falen als gevolg. Verbindend gezag betekent ook verbreden van gezag. Vertel je kind dat je dingen niet langer geheim wilt houden en neem de stap om een aantal mensen uit je omgeving die je vertrouwd erbij te betrekken. Deel je verhaal, geef openheid, vraag hulp en steun. De meeste mensen waarderen het vaak alleen maar als je hen om advies of hulp vraagt, het komt bijna niet voor dat mensen helemaal niets kunnen/willen doen. Maak het concreet, bijvoorbeeld: `mag ik je de volgende keer als we weer eens ruzie hebben bellen, wil je dan komen en bemiddelen?’, of `onze zoon is vaak na 22u nog buiten terwijl dat niet mag, zou je hem eens willen aanspreken als je hem rond die tijd nog op straat ziet?’. Als ouders blijf je verantwoordelijk, maar je kunt wel steun organiseren voor je opvoeding. Je gezag als ouder wordt er alleen maar door versterkt.

Dit (vak)artikel van het Lorentzhuis gaat wat dieper in de op de materie en geeft wat richtingaanwijzers. Het belangrijkste is denk ik om gezag te gaan benaderen als iets relationeels. Gezag heeft weinig of niets te maken met controle uitoefenen, gehoorzaamheid afdwingen of willen winnen. Gezag heeft alles te maken met geraakt worden, grenzen bieden, samenwerken, herstellen en verbinding zoeken. En nogmaals: ouders, kom uit je schulp, doe het niet langer alleen. Zoek steun in je omgeving.
Opvoeden doe je niet alleen!

Advertenties

Wandelen in het park – hoe zorg je als hulpverlener voor jezelf?

Dit keer preek ik voor eigen parochie en schrijf ik een artikel voor onszelf als therapeuten/hulpverleners.

Veel hulpverleners hebben een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Niet zo heel gek natuurlijk, we zijn niet voor niets de hulpverlening in gegaan. We houden van mensen, willen graag helpen en (heel menselijk) we willen graag een beetje belangrijk zijn. Het is opvallend hoe vaak we moeite hebben om echt goed voor onszelf te zorgen. Zorgen voor een ander kunnen we wel, maar hoe zit dat met onszelf? Hoe komt het dat zoveel hulpverleners overspannen raken, zich kapot lopen op deadlines en werkdruk? Gaat er niet iets heel erg mis en ligt dat dan aan ons of aan het `systeem’?

Het is makkelijk om het `systeem’ de schuld te geven, en voor een deel ook terecht. In de basis zit er iets goed verkeerd in de zorg. Ik hoor collega’s wel klagen over het feit dat op beleidsniveau alles in economische cijfertjes wordt uitgedrukt, en dat is waar. Hoewel ik begrijp dat ieder bedrijf, iedere instelling, financieel gezond moet zijn om te kunnen overleven, is dit ongelofelijk doorgeschoten, en iedereen weet dit wel maar er wordt niets aan gedaan. Je kunt werk met mensen niet vergelijken met een productielijn in een fabriek. De terminologie die gebruikt wordt (taal!) spreekt boekdelen: producten, DBC’s, kostprijs, productie, kostenefficiënt, evidence based, sturen op zelfredzaamheid, samenwerking in de keten, opschalen, etc. Laten we om te beginnen dit soort taalgebruik eens afschaffen en weer meer menselijkheid in ons spreken brengen. Ons spreken stuurt onze aandacht. Waarom spreken we in de zorg over `productie’? Zo’n term devalueert ons werk tot lopende band werk en onszelf tot `productiemedewerkers’. We zijn geen fabrieksmedewerkers, we zijn mensen en we werken met mensen. Zelf werk ik o.a. met personen (vaak kinderen en jongeren) die te maken hebben met ernstig trauma en persoonlijkheidsproblematiek. Dat heeft vaak een enorme impact op het leven van mijn cliënten en hun omgeving. Maar het heeft ook vaak een forse impact op mij als therapeut. Ik kan alleen iets betekenen voor mijn cliënten als ik dichtbij kom, en wat ze mij vertellen raakt mij (natuurlijk), ik ben geen robot! Maar in de `kostprijs’ zien we dit niet terug. Die `kostprijs’ bestaat uit salarissen, reiskosten, gebouwkosten, overhead, verzekeringen, registraties, etc. etc. maar nergens in dat plaatje staat `wandeling in het park’ of `herstelperiode voor de therapeut’.

Curieus eigenlijk, toch? Het gevolg: overspannen therapeuten die ternauwernood hun hoofd boven water kunnen houden, van bovenaf nog extra werkdruk, efficientieslagen en productienormen opgelegd krijgen (ik wordt geacht in mijn werk minimaal 89% clientregerelateerde tijd te hebben!). En een therapeut kan nog zo goed zijn, een overspannen therapeut is geen therapeut.

Het woord Therapie komt van Therapeia, een oud-Grieks woord. De betekenis hiervan luidt ongeveer: Het geven van zorg en aandacht aan een ander door te pogen naast of met die ander te staan als hij of zij in de wereld is en zijn leven leeft (Evans, 1981)

Daar is geen woord managamenttaal bij! Hoe kan ik een goede therapeut zijn als ik niet goed voor mezelf zorg, als ik niet de ruimte krijg om voor mezelf te zorgen? De zwaarte van de verhalen die mensen mij vertellen, het is niet niks. Natuurlijk heb ik geleerd daar professioneel mee om te gaan, maar dat wil niet zeggen dat het me niet raakt (als de verhalen me niet meer raken zou ik dit werk niet meer willen doen). En als ik 4 of 5 van dat soort verhalen op een dag heb gehoord (nog even los van de complexe dynamiek, de appeal op mij als therapeut, de noodzaak om continue bewust te zijn van wat er in de therapeutische relatie gebeurd) dan is dat gewoon veel!

Gelukkig ken ik mooie voorbeelden van collega’s die er echt werk van maken om goed voor zichzelf te zorgen. Ik heb daar veel van geleerd en tegenwoordig besteed ik daar ook veel aandacht aan. De een doet dit door tussendoor een wandelingetje te maken, of door ervoor te kiezen niet meer dan 4 gesprekken op een dag te doen. Veel collega’s houden in hun vrije tijd van de natuur ingaan, of sporten. Sommigen gebruiken muziek of creativiteit om zich te uiten. Anderen wonen bewust `buiten’ om na een lange werkdag tot rust te kunnen komen in een mooie prikkelarme omgeving.
Hoe je het ook doet, iedere therapeut zou als prioriteit goed voor zichzelf moeten zorgen. Hoe kun je naast iemand gaan staan en diegene je onverdeelde aandacht geven als je eigen hoofd en lijf vol spanning zit?

Is het dan inderdaad weer puur de eigen verantwoordelijkheid van de therapeut/hulpverlener? Nog meer druk op je schouders… Ik denk wel dat het daar begint, neem je verantwoordelijkheid en zorg goed voor jezelf. Denk niet dat je een goede hulpverlener bent als je nog meer hooi op je vork neemt of nog harder gaat werken omdat het nu eenmaal van je verwacht wordt. Dat is een illusie! Ik ben er van overtuigd dat wanneer je er echt op let dat je niet teveel cliënten tegelijk hebt en er voldoende ruimte voor jezelf is om weer op te laden, je uiteindelijk veel effectiever zult worden in je werk. Je kunt dan misschien minder werk tegelijk oppakken, maar je trajecten verlopen beter, waardoor je vaak eerder kunt afronden en weer ruimte krijgt voor een volgende cliënt.

Maar dat is niet het enige, ook het `systeem’ moet veranderen, en dat doen we met zijn allen. Laten we beginnen met ons taalgebruik: stop met het overnemen van verhullende en vertekenende managementtaal, spreek over je vak zoals je wilt dat er over wordt gesproken en dat recht doet aan de waarden waar we voor staan. Daarnaast: voedt je managers op! Als zij denken dat wachtlijsten weggewerkt kunnen worden door efficientieslagen, opschroeven van productienormen en caseloads, help ze uit de droom. Accepteer het niet, en sta voor de manier waarop jij denkt dat je je werk goed kunt doen. Durf ook eigen regie te nemen, registreer gewoon dat kwartiertje `wandeling in het park’ als extra tijd bij een afspraak, waarom niet? En als we dat allemaal doen, wie gaat ons dan vertellen dat het niet mag? En laat je niet intimideren, of angst aanpraten. Als we met elkaar staan voor ons vak, dan groeien we, inhoudelijk en in effectiviteit, daar ben ik van overtuigd. We blijven zelf gezond, en onze organisaties ook. Organisaties die zich laten verleiden tot werkstress, productiedrang en overcontrole verliezen aan kracht, raken in een negatieve spiraal: medewerkers raken overspannen, verloop neemt toe, werkplezier neemt af, efficiëntie sijpelt weg, cliënten voelen deze spanning en raken toenemend ontevreden, etc. etc. Met andere woorden: als wij goed voor onszelf zorgen, zorgen we ook goed voor onze organisatie. En andersom: als de organisatie goed voor ons zorgt, zullen wij ook beter voor onszelf gaan zorgen. En vraag je eens af wat dat zal betekenen voor onze cliënten…

Wat voor ADHD heb jij dan? – over dialogisch diagnosticeren

Stel, je brengt je auto naar de garage, omdat er iets mis mee is. Hij maakt een raar geluid en je weet niet precies waar het vandaan komt. De monteur zegt `oh, ik weet het al hoor’, het is vast de uitlaat. Hij gaat onder de auto liggen en sleutelt wat aan de uitlaat. `Hm, nee, dat is het toch niet, het geluid zit er nog steeds, weet je wat, ik denk dat het bij de aandrijfassen zit’ , en hup, hij duikt er weer onder. Weer iets later (natuurlijk is dat het ook niet) opent hij de motorkap en begint rucksichtlos aan draadjes te trekken, schroefjes los te maken, net zolang tot je hele motor uit elkaar ligt en de monteur steeds gefrustreerder wordt. Scheldend geeft hij het uiteindelijk op, `die valt niet te repareren!’, en laat je vertwijfeld achter met een half gedemonteerde auto.

Bovenstaande, lichtelijk bizarre, verhaaltje illustreert het belang van een grondige diagnose. Een goede monteur gaat methodisch te werk, hij rommelt niet maar wat aan, maar weet waar hij mee bezig is en door bepaalde mogelijkheden uit te sluiten komt hij steeds dichter bij de mogelijke oorzaak van het probleem. Dit heet een diagnose stellen. Dat doen we in de hulpverlening ook.

Een goede diagnose stellen is enorm belangrijk. We willen niet dat hulpverleners als bovenstaande monteur tewerk gaan en cliënten van de regen in de druk raken door ongestructureerde en ondoordachte interventies. Een diagnose stellen is ook enorm invloedrijk. Het is nogal niet wat om te horen dat je autistisch bent, of borderline hebt, of een depressie. Diagnoses kunnen opluchting geven (nu weet ik eindelijk wat ik heb, nu snap ik waarom mijn kind zo doet), ze kunnen weerstand oproepen (maar zo ben ik helemaal niet!), maar ze kunnen ook de plank gigantisch misslaan, bijvoorbeeld wanneer bij een kind ADHD of trauma wordt gediagnosticeerd terwijl volledig voorbij is gegaan aan de enorme spanningen waar het kind al een paar jaar aan blootgesteld wordt door gescheiden ouders die maar blijven vechten.

In mijn ogen wordt diagnostiek nog te vaak gezien als eenrichtingsverkeer, als een onomstotelijk vaststaand wetenschappelijk gegeven, als dit er uitkomt dan is het zo. Gelukkig al lang niet meer zozeer door onderzoekers, therapeuten, psychologen en psychiaters, al kom je zo nu en dan nog wel eens een diagnostiek-dinosaurus tegen. Het zijn vaak ook de verwachtingen bij cliënten die zo hoog gespannen zijn. Maar diagnostiek is geen exacte wetenschap, het is een manier om te classificeren, om bepaalde symptomen en klachten te groeperen en vervolgens te kunnen zeggen: dit noemen we …. en dat kun je zus en zo behandelen. Diagnostiek is een hulpmiddel, een belangrijk hulpmiddel, maar geen doel op zich. Uiteindelijk gaat het er om hoe we de auto weer aan de praat krijgen, toch?

Het is belangrijk om de functie van diagnostiek binnen een behandeling goed te begrijpen. Is wat ik denk gevonden te hebben helpend voor deze cliënt, is het acceptabel voor hem/haar en gaat het deze cliënt/dit gezin verder helpen? Als iemand moeite heeft om de diagnose autisme aan te nemen, moet dat dan persé `door iemands strot geduwd worden’ omdat het nu eenmaal wetenschappelijk is vastgesteld? Of kun je ook op zoek gaan naar een formulering en duiding waar de cliënt wel iets mee kan? Waar heeft hij/zij last van, waar loopt diegene tegenaan, en wat gaat diegene helpen om er op een andere manier mee om te gaan zodat het minder een (sociaal) probleem hoeft te zijn? Uiteindelijk gaat het daar toch om? Of wanneer een kind wordt aangemeld voor onderzoek en de ouders aangeven dat ze echt een duidelijke diagnose willen en dat ze denken dat het kind ADHD heeft, maar jij (ook) ziet hoeveel spanning er in het systeem is vanwege de slepende vechtscheiding. Is het dan wel verstandig en wenselijk om een `excuusdiagnose’ te stellen waarmee het kind gelabeld wordt? Veel onderzoekers stellen in zo’n geval een onderzoek uit en nemen het kind niet individueel in behandeling voor er meer rust in het systeem is gekomen. Ik vind dat heel verstandig.

Diagnose stellen zou naar mijn idee geen strikt onderzoek moeten zijn met als uitkomst een rapport dat los van de cliënt geschreven is en als vaststaand gegeven gepresenteerd wordt. Diagnostiek zou in dialoog moeten plaatsvinden, waarbij onderzoeker en onderzochte samen naar een passend beeld zoeken dat acceptabel en helpend is voor de cliënt en niet contraproductief werkt. Naar mijn idee is alleen dan diagnostiek echt zorgvuldig en respectvol.

Wat ik zo leuk vind aan Michael White (een van de grondleggers van de narratieve therapie) is dat hij, toen hij een jongetje met ADHD en zijn ouders in de kamer kreeg, meteen begon de diagnose te bevragen: `oh, dus jij hebt ADHD. Wat voor soort ADHD heb je dan?’. Het jongetje en de ouders begrepen de vraag niet meteen, maar White ging erop door: `hoe ziet jouw ADHD er uit, wat voor kleur heeft hij, wat wil hij eigenlijk en wat vind jij daar zelf eigenlijk van?’. Mensen kunnen zo gemakkelijk hun diagnose worden (ik HEB ADHD, ik BEN borderliner). White externaliseert meteen de diagnose, hij haalt het uit het kind, en hierdoor kan er op een andere manier over gesproken worden en wordt het ineens iets dat niet persé IN het kind zit, maar waar het hele gezin zich toe moet gaan VERHOUDEN.

Dialogische gezinstherapie

“Alle gedrag is communicatie” ~ Paul Watzlawick

Mensen communiceren op vele manieren, met woorden, gebaren, gedrag en zelfs met stilte. Communicatie wordt vaak omschreven als het overbrengen van informatie van een zender naar een ontvanger. De boodschap die gezonden wordt kan goed of verkeerd begrepen worden, en als de boodschap zonder al te veel vervorming aankomt bij de ontvanger spreken we van goede communicatie. Over het algemeen gebeurd dat ook en begrijpen we elkaar meestal redelijk goed.

Hoewel communicatie in deze zin een tijdlang veel aandacht had van de sociale en psychologische wetenschappen is het eigenlijk een beetje een versimpeling van de werkelijkheid. Wanneer mensen met elkaar communiceren is er namelijk niet slechts sprake van het uitwisselen van informatie, het gaat ook om betekenisgeving en afstemming. Dit noemen we een dialoog. Wanneer mensen met elkaar in dialoog zijn is er sprake van allerlei (onuitgesproken) verwachtingen, en wanneer die verwachtingen niet helder zijn of niet met elkaar matchen ga je erover in onderhandeling. Vaak gaat dit impliciet.

Dit gebeurd binnen de relaties die mensen met elkaar hebben, zoals binnen een liefdesrelatie of binnen een gezin. Maar het gebeurd ook binnen de therapeutische relatie. Ik besef me altijd goed dat dit aan de hand is.

Een gezin komt meestal bij mij met bepaalde verwachtingen. Verwachtingen ten aanzien van de therapie, verwachtingen ten aanzien van de therapeut, en ten aanzien van de samenwerking. Aan het begin van een therapie probeer ik altijd om een aantal van die verwachtingen expliciet te krijgen, en erover in gesprek te gaan. In dialoog geven we zo samen betekenis aan wat therapie kan zijn en stemmen we onze verwachtingen over en weer af. Dit samen betekenis geven blijft vervolgens tijdens de hele therapie belangrijk. Kenneth Gergen zei hierover: `ik heb de ander nodig om iets te betekenen’, wat aansluit bij de filosoof Emmanuel Levinas (`de ander is een spiegel van mijzelf’).
Betekenis is dus niet iets dat vooraf bestaat en wat `ontdekt’ moet worden, betekenis is iets dat er vooraf niet is, maar dat we samen in dialoog creëren. Er is verschil tussen jou en mij, we kijken anders naar dezelfde situatie, doen pogingen dit onder woorden te brengen, reageren daarbij op elkaar (nou, ik zie dat toch net anders; misschien is dit een beter woord; kan het ook zijn dat…), net zolang tot we iets gevonden hebben waarvan we samen kunnen zeggen: ja, zo kunnen we het begrijpen, zo krijgt het een betekenis die helpend is, waardoor we elkaar vinden en verder komen.

Een voorbeeld uit mijn praktijk: een moeder en dochter komen bij me om te vertellen over waar ze last van hebben. In hun verhalen komt steeds naar voren dat vader zijn dochter niet begrijpt en voortdurend fel op haar reageert, hij wil bijvoorbeeld dat ze een taak doet en als ze dan zegt `ik ben nog even bezig, ik doe het zo’, wil vader dat ze het meteen gaat doen en wordt daar boos over. In de dialoog ga ik met moeder en dochter op zoek naar een ander perspectief, ik geef aan dat het me opvalt dat er veel gesproken wordt over dat vader het niet goed doet, en dat ik me afvraag wat de reden kan zijn dat vader zo reageert. Heeft hij misschien de ervaring dat dochter blijft uitstellen, en heeft hij er daarom geen vertrouwen in dat ze het echt gaat doen, of kan hij er niet goed tegen als het niet netjes is in huis? We krijgen hierdoor een ander gesprek, en gaandeweg zoeken we naar een manier om het meer circulair te begrijpen: wanneer dochter zus doet, en vader zo reageert, waarop dochter geïrriteerd raakt, waardoor vader mogelijk geraakt wordt, enzovoorts, ontstaat een escalatie die beiden niet hebben gewild. Al sprekende stemmen we af en check ik bij moeder en dochter of ze dit andere perspectief kunnen toelaten. Dochter geeft op een gegeven moment aan dat ze inderdaad ziet dat het ook een cyclisch proces is, maar ze zegt ook dat ze nog steeds boos is op haar vader. Het is dus belangrijk dat dit boze gevoel er ook mag zijn en door dit nieuwe perspectief niet weggepoetst wordt. Beide perspectieven mogen dus naast elkaar bestaan. We hebben zo samen een basis gecreëerd waarbij dochter zich serieus genomen kan voelen en er tevens ruimte ontstaat om met vader op een constructieve manier in gesprek te gaan.

Dit is iets fundamenteel anders dan wanneer we proberen te achterhalen wat de oorzaak is, wanneer we proberen een eenduidig antwoord op een probleem te vinden. In plaats van als een specialist-buitenstaander te proberen verklaren wat er aan de hand is, wil ik als therapeut op een respectvolle manier in dialoog gaan met mijn cliënten, om ze vanuit die betrokkenheid te prikkelen om gezamenlijk betekenis te geven aan wat er gebeurd, en zoeken we samen naar manieren waarop ze daarna weer, zonder mij, waardig verder kunnen leven.

(voor het schrijven van dit artikel heb ik me o.a. gebaseerd op het boek `Samen in Therapie’, van Peter Rober)

Therapeutische brieven

Ik maak in mijn therapieën meestal gebruik van therapeutische brieven. Ik vind het een krachtig middel dat helpt om de narratieve wegen die we tijdens sessies inslaan te documenteren, en tevens de samenwerking en interactie met de cliënten bevorderd. Bovendien, wanneer ontvangen mensen tegenwoordig nog een brief? Het schrijven van brieven aan mijn cliënten wordt door hen ervaren als heel persoonlijk en het bevorderd de therapeutische band.

In de brieven leg ik vast wat ik in de sessie heb gehoord, en ik zoek naar een formulering die aansluit bij mijn cliënten, maar toch genoeg verschil maakt. Het heeft weinig zin om in een brief nog eens alles te herhalen wat letterlijk is gezegd in de sessie. Cliënten beginnen vaak met veel concrete informatie te vertellen, over wat er precies gebeurd is, uitleggen waarom ze zus of zo gereageerd hebben; veelal vertellen ze mij dingen die voor hen niet persé nieuw zijn, al kunnen ze wel van mening verschillen, dit weten ze eigenlijk wel van elkaar. Het wordt spannender als ik die ` probleem’ verhalen ga uitdagen, als ik op zoek ga naar de verschillen en de mogelijke andere perspectieven die er kunnen zijn op het probleem. De narratieve werkwijze betekent dat we samen proberen het perspectief te verbreden, dat verhalen meer gelaagd worden, en soms probeer ik uitspraken te `reframen’, te zoeken naar een net andere betekenis. Bijvoorbeeld:` wanneer je vader zo boos op je is omdat je weer niet naar school bent gegaan, wat zou dat zeggen over zijn wensen voor jou?’. We ontwikkelen zo samen een nieuwe manier van spreken, als het ware een nieuwe Taal. Deze nieuwe Taal is anders dan de Taal die ze tot nu toe spraken, maar hij moet toch dicht genoeg bij hen liggen dat ze er mee uit de voeten kunnen. Dit is een proces van continu afstemmen: `is het ok als ik het zo zeg?’, `wat voor beeld zou hierbij kunnen passen?’…

Omdat het een nieuwe Taal is, is het nog lastig om dit vast te houden, en ik wil als therapeut natuurlijk graag dat er niet alleen in de sessies een nieuwe werkelijkheid ontstaat, maar dat de gezinnen het ook `mee naar huis nemen’. Daarbij kan het schrijven van therapeutische brieven (en andere vormen van documentatie, zoals bijvoorbeeld samen een foto ergens van maken of iets in een tekening tot uitdrukking brengen) enorm helpend zijn.

Ik geef mijn cliënten altijd de gelegenheid om te reageren op wat ik hen in de brief heb geschreven. We staan er dan samen even bij stil, soms komt er ook iets per mail terug, wat we dan in de volgende sessie weer kunnen bespreken. Als we verder zijn in de therapie vraag ik cliënten ook wel eens om zelf bepaalde dingen te beschrijven, en dan ontstaat soms een briefwisseling waarin we samen zoeken naar een manier om betekenis te geven aan wat er speelt. De brieven hebben een reflectief karakter, ik probeer niet mijn cliënten een zekere `waarheid’ op te spelden, ik reflecteer verder op wat reeds besproken is en probeer het aantal mogelijke perspectieven te verbreden; als het ware zet ik steeds meer raampjes open. De cliënten bepalen zelf welk uitzicht heb bevalt, waar ze wat mee kunnen, en welke raampjes eventueel weer gesloten worden. Zo schrijven en schaven we samen aan een helpend gezinsverhaal.

Houd me vast – verhaal maken in relatietherapie

Ik schreef al eens eerder over Sue Johnson, de grondlegger van EFT (Emotionally Focussed Therapy). Als het gaat om relaties en relatietherapie heeft zij veel zinnige dingen onderzocht en ontwikkeld. Lees bijvoorbeeld eens haar boek Houd Me Vast, leerzaam voor ieder stel waar wel eens wat `schuurt’.

Een van de rode draden in haar methode is het gegeven dat hechting in relaties een grote rol speelt. Vandaar ook de titel: Houd Me Vast . Wat mensen in een liefdesrelatie zoeken, wat ze ervan verwachten, kan verschillend zijn, maar de belangrijkste behoefte is toch wel dat men door de ander gezien wordt, geaccepteerd zoals je bent, vastgehouden wordt. Waar als kind het vooral je ouders zijn die deze holding moeten bieden, wordt het binnen je relatie je partner die hierin moet voldoen. Daarom is het belangrijk dat koppels in therapie weer uiting leren geven aan dit diepgevoelde verlangen. Onder invloed van problemen en destructieve patronen stoppen we met het uiten van deze door en door kwetsbare behoefte en vervallen we in duivelse dialogen. De eerste taak van de relatietherapeut is om weer voldoende veiligheid te scheppen in de sessies, waardoor het mogelijk wordt om te reflecteren op wat er gebeurd, duivelse dialogen te `ontmaskeren’, en weer ruimte te creëren om kwetsbaar te durven zijn, zonder meteen bang te moeten zijn om `afgemaakt’ te worden.

Het samen verhaal maken kan hierbij enorm helpend zijn voor stellen. We gaan terug naar hoe het ooit was, wat was het dat je zo in elkaar aantrok, wat was bijzonder aan jullie relatie, welke waarden zijn belangrijk, wat voor stel willen jullie zijn? Waar zit jullie veerkracht, hoe hebben jullie tot nu toe tegenslagen overwonnen, en stel dat het nu ook lukt om de tegenslagen te overwinnen, hoe ziet jullie toekomstige relatie er dan uit?

Door het versterken van het identiteitsverhaal over de relatie wordt veerkracht aangeboord, krachten geactiveerd en worden moeilijkheden in perspectief geplaatst. Dit werkt verbindend en activerend. We bewegen zo van een `probleemverzadigd’ verhaal, een smal verhaal dat vooral draait om alles wat er mis gaat, naar een breed en perspectief biedend verhaal, een verhaal van hoop en kracht, waarbinnen de pijn van wat niet goed ging ook een plaats kan krijgen, maar wel een verhaal waarmee je verder kunt.

Mentaliseren in gezinstherapie

In gezinstherapieën hoor ik bepaalde zinnen vaak terug. Bijvoorbeeld: `ik wordt gek van zijn ADHD-gedrag!’, `zij doet dat expres om mij te kwetsen’, of `als mijn kind bij zijn vader is geweest en weer thuiskomt huilt hij altijd, omdat hij mij heeft gemist’.

Voor mij is het begrijpelijk dat ouders in hun spreken over en hun omgaan met hun kinderen soms gefocussed zijn op het gedrag, vooral wanneer de spanning soms hoog oploopt. Deze manier van denken/spreken draagt echter ook bij aan het instandhouden van het probleem. Wanneer we namelijk op zo’n manier denken (en dat doen we inderdaad allemaal wel eens) zijn we niet meer in staat om ons te verplaatsen in de beweegredenen van de ander, proberen we niet meer te begrijpen wat maakt dat je kind zich zo gedraagt, en maken we geen onderscheid meer tussen hoe we ons zelf voelen en hoe het kind zich voelt.

De mate waarin je in staat bent om te reflecteren op je eigen innerlijke wereld en die van anderen, noemen we mentaliseren. Zoals Peter Fonagy, de grondlegger van MBT (mentaliseren bevorderende therapie) het zegt: `impliciet en expliciet het gedrag van anderen en zichzelf kunnen interpreteren als betekenisvol, op basis van gerichte mentale processen’. Mentaliseren speelt zich altijd af in de interactie tussen mensen.

Je hoeft geen MBT therapeut te zijn om mentaliseren te gebruiken in therapie. Het vermogen van mensen om te mentaliseren over de interactie is altijd van belang, en het is verbonden met hechting. Hoe beter ouders kunnen mentaliseren (ook onder stress), hoe beter de hechting bij hun kinderen tot ontwikkeling kan komen. Maar ook andersom kun je stellen dat wanneer er sprake is van hechtingsgerelateerde problematiek binnen gezinnen, het bevorderen van mentaliseren een goede interventie is die bij kan dragen aan herstel en heling van relaties.

Concreet betekent dit dat ik in gesprekken met gezinnen (of stellen) voortdurend op zoek ben naar momenten dat gezinsleden goed mentaliseren, om dit aan te moedigen, en momenten waar slecht gementaliseerd wordt (wat vaak uitmondt in destructieve patronen, beschuldigingen, escalaties) te stoppen en erop te reflecteren, om zo het mentaliseren opnieuw op gang te brengen. Het fijne daarvan is ook dat ik niet eens altijd veel ` inhoud’  nodig heb (datgene wat gezinnen in sessie aan me vertellen over wat er gebeurd is), maar dat ik kan werken met datgene wat er voor mijn neus gebeurd.

Daarbij ga ik als narratief systeemtherapeut ook altijd op zoek naar overtuigingen (narratieven) die het mentaliseren ondermijnen (bv: `ik reageer zo omdat ik een borderliner ben’) en zoeken we samen naar narratieven die juist het mentaliseren bevorderen. Hierdoor worden onderlinge verbindingen versterkt, krijgt bepaald gedrag een andere betekenis, en wordt interesse in elkaar bevorderd. Sommig gedrag kan dan nog steeds lastig zijn, maar gezinnen kunnen het beter dragen. Op termijn verminderd of verdwijnt het lastige gedrag vaak ook, maar dat is niet de focus van de behandeling, meer een gevolg van de toename van betrokkenheid bij elkaar.

Een meerzijdige visie op geweld

Geweld en veiligheid is vaak een issue in therapie. Van verbaal tot fysiek geweld, strijd om de macht, controle, destructieve patronen die kwetsbaarheid ondermijnen. Als therapeut geef ik altijd prioriteit aan het bevorderen van veiligheid in sessies. Zonder veiligheid geen kwetsbaarheid, en zonder kwetsbaarheid geen constructieve dialoog. Maar als het gaat om veiligheid gaat de aandacht vaak uit naar degene die openlijk agressief is, bijvoorbeeld de partner die fysiek agressief is of het kind dat zijn/haar zin probeert door te drijven. Is dat terecht, en is het helpend? Ik denk vaak van niet.

Laat me duidelijk zijn: ernstige fysieke agressie, mishandeling, misbruik is nooit toelaatbaar. Er zijn grenzen. Dat neemt echter niet weg dat achter elk gedrag betekenis schuil gaat en zonder die betekenis te begrijpen is het moeilijk om aan verandering te werken. Daarbij zijn er vele manieren waarop geweld, macht en controle wordt vormgegeven in menselijk gedrag, ook heel subtiele, en die zijn niet persé minder destructief.

Voor het bespreekbaar maken van onveiligheid binnen een relatie- of gezinstherapie is het in mijn visie essentieel dat de therapeut geen kant kiest en een onbevooroordeelde houding inneemt naar ieder gezinslid. Welke betekenis gaat er schuil achter het boze/agressieve gedrag van het ene gezinslid? Wat is het dat de Boosheid wil zeggen, wat maakt dat het (nog) niet met woorden duidelijk gemaakt kan worden? Welke belangrijke waarde wordt hier bedreigd waartegen Boosheid zich teweer stelt? Wat is de betekenis en het effect van het afhaken/terugtrekken/afschermen van een ander gezinslid? Wat is de functie van het negeren door weer een ander gezinslid? Kan dat misschien ook als een vorm van geweld worden ervaren?

Mijn ervaring in contact met cliënten, maar zeker ook onder professionals, is dat de aanwezigheid van geweld/agressie vaak maakt dat alle bogen direct enorm gespannen raken. Het gevolg daarvan is dat er weinig ruimte voor reflectie meer is en dat diegene die het agressieve gedrag laat zien al snel het gevoel krijgt de boeman of boevrouw te zijn. We willen best naar je luisteren, maar dan moet je wel eerst stoppen met de agressie. Alle focus gaat dan hiernaar uit. Nu is het zeker heel belangrijk om een aantal afspraken te maken, om te voorkomen dat het ernstig uit de hand loopt wanneer de spanning oploopt (een time-out plan). Wanneer meerdere personen binnen een gezinssysteem voortdurend op de hoede moeten zijn omdat er ieder moment een gewelddadige escalatie kan plaatsvinden, is er geen basis om verder met elkaar in gesprek te gaan. Een time-out regeling is niet bedoeld om te veroordelen of een dader aan te wijzen, maar het is een essentiële stap waarmee gezinsleden (allemaal) verantwoordelijkheid leren nemen om escalaties te stoppen, en uit de geweldsspiraal te stappen.

Juist omwille van een goed werkend time-out plan zal ik als therapeut altijd proberen het thema geweld meervoudig bespreekbaar te maken. De wereld bestaat niet uit daders en slachtoffers. In iedere dader zit een slachtoffer en in ieder slachtoffer een dader. Het is niet alleen de `dader’ die verantwoordelijk is om het geweld te stoppen, ook de `slachtoffers’ moeten zich bewust worden van eigen handelen, wat koren op de molen van de geweldsspiraal is, waardoor de dader tot `dader’ wordt gemaakt. Het is belangrijk om hier oog voor te hebben en dit in beeld te krijgen. Alleen dan kan er een constructief gesprek over geweld plaats vinden, wat het gezin als geheel verder helpt.

Over dit thema hebben Justine van Lawick en Martine Groen een goed boek geschreven: intieme oorlog.

een pleidooi voor de liefde

Vroeger was een huwelijk vooral een verstandshuwelijk, een huwelijk dat om politieke of economische redenen werd gesloten, niet zozeer tussen twee individuen, maar tussen twee families. En binnen families van allochtone afkomst is dat soms nog steeds zo, al is het vaak wat minder strikt. De moderne liefdesrelatie, zoals wij die kennen in zijn vele verschijningsvormen, bestaat nog niet zo lang eigenlijk. Je zou het gerust een revolutie kunnen noemen. Voor het eerst in de geschiedenis bepalen twee partners (en dat kunnen ook twee partners van hetzelfde geslacht zijn) zelf met wie ze hun leven willen delen, en dat op feitelijk maar een basis: de liefde! Dat is natuurlijk fantastisch, en er is geen haar op mijn hoofd dat er maar in de verste verte naar verlangt om terug te keren naar het gearrangeerde huwelijk van weleer.

Toch heeft dit nieuw verworven recht, het recht op vrije liefde, ook een keerzijde. Kijk maar naar de cijfers, meer en meer relaties lopen op de klippen. Dan vormen zich vaak ook weer nieuwe relaties en nieuw samengestelde gezinnen, opnieuw met als doel om de liefde centraal te stellen, en soms lukt dat ook, soms niet. Ik zou zeker niet willen stellen dat de liefde failliet is of dat het liefdesverbond ten dode is opgeschreven. Er is wel een probleem wanneer we onze relaties teveel ophangen aan de (hartstochtelijke) liefde alleen. Ik noem met nadruk hartstochtelijke liefde, want dat is de liefde waar de meeste relaties mee beginnen: je wordt verliefd, je bent hotel de botel van elkaar, vlinders in de buik, volledig in de ban van die ander. Een fantastisch gevoel, maar dat blijft natuurlijk niet. Althans, niet altijd en voortdurend. De meeste stellen die het langer met elkaar uithouden, hebben een manier gevonden om (ook) op een andere manier van elkaar te houden. De hartstochtelijke liefde gaat na verloop over in een meer duurzame vorm van liefde, en partners worden meer maatjes, gezworen kameraden, no matter what (een beetje zoals de klassieke trouwbelofte: ik blijf je trouw tot de dood ons scheidt). Niet dat het vlammetje helemaal dooft, maar het gaat op een wat lagere, stabielere, intensiteit branden, om zo nu en dan nog eens op te vlammen, van tijd tot tijd.

Ik denk dat het belangrijk is om te beseffen dat de liefde verschillende fases kent, en dat het voor een relatie, wil die duurzaam zijn, welhaast onvermijdelijk is dat de liefde zich transformeert, overgaat in die nieuwe fase. Dat hoeft niet te betekenen dat alle spanning er persé uit gaat, maar je kunt niet 30/40 jaar lang als tortelduifjes om elkaar heen dartelen, dat is gewoon niet realistisch. Misschien zijn onze verwachtingen van wat de liefde moet zijn, hoe een relatie moet zijn, soms wel iets te hoog gespannen. Misschien kent de liefde wel meerdere gedaantes, en is de ene gedaante niet persé beter dan de andere. De liefde is het fundament van onze relaties geworden, misschien zelfs wel het fundament van ons bestaan. In het begin is liefde vooral een gevoel, later wordt het meer een soort mariniersmentaliteit: wij zullen overwinnen, niemand blijft achter. Althans, dat kan het worden, en misschien moet het dat ook, om de uitdagingen van het leven aan te kunnen, zodat de liefde kan overwinnen.

En is dat niet het beste wat we onze kinderen mee kunnen geven? Want ook zij groeien op binnen die door liefde gedefinieerde relatie, binnen het gezin dat de twee ouders hebben gesticht. De wereld om hen heen probeert hen wijs te maken dat liefde vooral hartstocht is, dat aantrekkingskracht vooral lichamelijk is, dat geliefden voor elkaar gaan zolang `het goed voelt’. Laten we hen een voorbeeld geven, laten we ze leren dat liefde iets is waar je voor moet knokken, dat je erin moet investeren, dat het soms pijn doet, dat je soms moet inleveren, maar dat de liefde ons drijft en de liefde uiteindelijk overwint. De liefde moet transformeren om te overleven. Dan overwint de liefde alles.

ik lees momenteel het fantastische boek `over de liefde‘ van de Franse filosoof Luc Ferry, vandaar dat ik opnieuw zo enthousiast ben over de liefde 🙂

Grenzen verleggen

Therapie is soms net stappen zetten in het donker. Je staat in een donkere ruimte en je zet een stap. Je hebt geen idee wat er gaat gebeuren, waar je naartoe gaat, of het wel goed komt. Je weet een ding zeker: je wilt niet blijven waar je bent. Je aarzelt, je voelt de weerstand, angst, en toch zet je die stap, die eerste stap op weg naar een betere toekomst. Een toekomst zonder… , een toekomst met minder…, een toekomst met meer…

Ik vind het altijd heel dapper wanneer mensen deze stap zetten. Niets is namelijk zo spannend als verandering. Aan de andere kant: leven is beweging, zonder risico wordt het leven saai, verstikkend, dodelijk misschien zelfs. Alles stroomt. Toch is het altijd makkelijker om te bewegen als je meewind hebt (gehad). Voor sommige mensen is het leven niet aardig geweest, was thuis geen veilige haven, was er geen basale veiligheid waar je altijd op terug kunt vallen. Sommigen zijn beschadigd door rampen, ziekte, traumatische gebeurtenissen. Zet dan maar eens een stap in het donker, dat vergt enorme moed.

En toch kan het. Laten we eerst zorgen dat het veilig genoeg is. De therapeutische relatie moet veilig zijn. Maar vervolgens werken we ook aan het versterken van andere veilige relaties. Je hebt een paar mensen om je heen nodig, het hoeven er niet veel te zijn, mensen die je accepteren zoals je bent, je niet zullen veroordelen, en die van jou willen leren hoe ze je het beste kunnen ondersteunen, zodat jij die spannende stappen kunt gaan zetten. Een kleine stap kan al genoeg zijn, het geeft je het gevoel dat je kunt bewegen, dat je risico kunt nemen en er niet altijd iets verschrikkelijks hoeft te gebeuren. Naarmate je meer van deze nieuwe ervaringen krijgt zal je zelfvertrouwen verder toenemen. De veilige mensen om je heen zullen getuige zijn van je groei en je verder aanmoedigen. Je kunt weer trots zijn op jezelf. Je hebt het gedaan!

Zelf heb ik ook dit soort stappen moeten zetten in mijn leven. En binnenkort ga ik er weer een zetten, ga ik een grens verleggen, iets doen wat ik nooit eerder durfde. Ik ga een paar dagen trekken en bivakkeren in de vrije natuur: bergwandelingen maken, slapen in het pikkedonker in de buitenlucht, misschien mijn eigen kampvuurtje maken. Omdat ik binnenkort aan een nieuwe baan ga beginnen heb ik een paar weken vrij, en ik heb besloten die te gebruiken om een grens te verleggen. Ik zal mezelf tegenkomen. Ik hou van de natuur en ik hou ook erg van buiten zijn en wandelingen maken. Maar het overnachten buiten lijkt me vreselijk spannend. Ik moet iets van controle loslaten en dat vind ik spannend. Toch ga ik het aan. Waarom? Omdat ik mezelf op dit punt wil confronteren, ik wil iets achter me laten, iets dat me jarenlang in de weg heeft gezeten. Het beheerst al lang niet meer mijn leven, maar ook het laatste restje wil ik overwinnen. Het lijkt een kleine stap, zeker gezien het jarenlange proces dat eraan vooraf ging. Toch voelt het voor mij niet zo, het voelt als een forse en spannende stap, de laatste stap die ik moet zetten om een bepaalde angst definitief te overwinnen. Niet dat ik denk dat die angst er daarna nooit meer zal zijn, maar ik weet, ik voel dat die me dan nooit meer de baas zal zijn. Deze grens moet verlegd worden. Ik ga deze uitdaging alleen aan, ik moet het alleen aangaan. Toch weet ik mij gesteund door belangrijke mensen in mijn leven: mijn vrouw, mijn ouders, mijn kinderen, een paar vrienden. Dankzij hen kan ik deze stap zetten. Maar ik doe het ook een beetje voor hen. Elke stap die ik zal zetten zal ik alleen zetten, en toch ook weer niet, toch zetten we die stappen ook samen.

Samen alleen.
Alleen samen.